Mag je in België zelf elektriciteit leggen?
Het korte antwoord: ja. In België mag je als particulier zelf de elektrische installatie in je eigen woning leggen of uitbreiden. Er bestaat geen wet die je verplicht een erkend installateur in te schakelen voor het werk zelf. Maar daar staan twee harde voorwaarden tegenover.
Ten eerste moet je installatie volledig AREI-conform zijn. Het AREI legt onder meer vast welke kabeldiktes je gebruikt, hoeveel kringen verplicht zijn, waar differentieelschakelaars (verliesstroomschakelaars) nodig zijn en hoe je aardingsweerstand in orde moet zijn. Ten tweede moet de installatie positief gekeurd worden door een erkend keuringsorganisme vóór ingebruikname. Pas met een conform keuringsverslag mag je netbeheerder een definitieve aansluiting en meter plaatsen.
Houd er rekening mee dat je zelf het volledige dossier moet kunnen voorleggen: een ééndraadsschema (elektrisch schema van alle kringen) en een situatieschema (plattegrond met de plaats van borden, stopcontacten, schakelaars en lichtpunten). Zonder die twee schema’s komt de keurder niet eens langs.
Werk je aan een bestaande installatie waar al spanning op staat? Schakel altijd de hoofdschakelaar af en controleer met een spanningstester dat de kring effectief spanningsloos is voordat je iets aanraakt. Een keuring vervangt geen voorzichtigheid tijdens het werk.
Wil je weten hoe zo’n controle precies verloopt en wat de keurder allemaal nakijkt? Lees dan onze aparte gids over de elektriciteitskeuring.
Een installatie plannen: kringen en schema's
Goed elektriciteit leggen begint op papier, niet met de boormachine. Voor je een enkele buis trekt, teken je je installatie volledig uit. Je hebt twee schema’s nodig die ook de keurder zal opvragen: het ééndraadsschema toont elektrisch hoe elke kring vanuit het verdeelbord vertrekt, het situatieschema toont op de plattegrond waar elk toestel, stopcontact en lichtpunt komt.
De kern van je planning is het indelen van kringen. Het AREI verplicht dat je verlichting en stopcontacten op aparte kringen zet, en dat zware of vaste toestellen elk hun eigen kring krijgen. Een typische indeling ziet er zo uit:
- Verlichtingskringen — beveiligd met een automaat van 16 A, met dunnere draad dan stopcontacten.
- Stopcontactkringen — meestal beveiligd met 20 A, met maximaal een vastgelegd aantal aansluitpunten per kring.
- Specifieke kringen voor zware toestellen zoals een kookplaat, oven, boiler, wasmachine of warmtepomp, elk apart.
Reken niet te krap: een goede vuistregel is dat je liever één kring te veel voorziet dan dat je achteraf alles moet openbreken. Het hart van die kringen is je verdeelbord, waar elke kring vertrekt via zijn eigen automaat en achter een differentieel hangt. Hoe je per kring de juiste draaddoorsnede kiest in functie van vermogen en lengte, leggen we uit in onze gids kabeldikte berekenen.
Welk materiaal heb je nodig?
Met een goed schema op zak weet je meteen welk materiaal je moet aankopen. De basis van elke huisinstallatie in Vlaanderen bestaat uit dezelfde componenten. VOB-draad is de eendradige installatiedraad die je door de buizen trekt; je kiest de doorsnede (1,5 mm², 2,5 mm², 4 mm² …) per kring. Die draden lopen door installatiebuis, de flexibele kunststofbuis die in muren en chape verwerkt zit en je draden beschermt en vervangbaar houdt.
In het verdeelbord zelf zitten de beveiligingen: een algemene differentieel (verliesstroomschakelaar, meestal 300 mA voor de hele installatie en 30 mA voor vochtige ruimtes en stopcontacten) en per kring een automaat (zekeringautomaat) afgestemd op de draaddoorsnede. De automaat beschermt de draad tegen overbelasting, de differentieel beschermt jou tegen elektrocutie.
| Kring | VOB-doorsnede | Automaat |
|---|---|---|
| Verlichting | 1,5 mm² | 16 A |
| Stopcontacten | 2,5 mm² | 20 A |
| Kookplaat / oven | 4 mm² of meer | 32 A of meer |
| Vochtige ruimte (badkamer) | volgens kring | achter 30 mA differentieel |
Koop draad in de juiste kleurcodes: blauw voor de nulleider, geel-groen voor de aarding, en bruin, zwart of grijs voor de fase. Verdiep je gerust in de afzonderlijke gidsen over VOB-draad en installatiebuis voor de juiste keuzes per toepassing.
Bekabelen en aansluiten in de praktijk
Nu wordt het concreet. Wie zelf elektriciteit gaat leggen, werkt het netst van het bord naar buiten toe. Eerst trek je de installatiebuizen volgens je situatieschema: van het verdeelbord naar de inbouwdozen voor stopcontacten en schakelaars en naar de lichtpunten. Laat de buizen zo recht en met zo weinig mogelijk bochten lopen, zodat je de draad er nadien vlot doorheen trekt.
1. Buizen trekken — leg de lege installatiebuizen en zet ze vast in muur of chape, met de inbouwdozen op de juiste hoogte.
2. Draad trekken — trek de VOB-draden per kring door de buizen, met een trekveer als het stroef gaat. Laat aan elk uiteinde voldoende lengte over om te kunnen aansluiten.
3. Lassen — verbind draden in de aftakdozen netjes met lasklemmen in plaats van getwiste verbindingen.
4. Aansluiten — sluit stopcontacten, schakelaars en lichtpunten aan, en koppel elke kring in het verdeelbord op zijn automaat.
Voor het verbinden van draden in de dozen gebruik je het best moderne WAGO-lasklemmen: snel, herbruikbaar en betrouwbaar. Hoe je die correct gebruikt, lees je in lasklem gebruiken. Het aansluiten van een stopcontact (fase, nul en aarde op de juiste klem) bespreken we apart in stopcontact aansluiten.
Werk altijd spanningsloos. Schakel de hoofdschakelaar af, controleer met een spanningstester dat er geen spanning meer staat, en zet pas spanning terug zodra alle dozen gesloten en alle aansluitingen vast zijn. Twijfel je over een aansluiting? Laat ze nakijken vóór de keuring, niet erna.
Elektriciteit in een tuinhuis of garage
Een tuinhuis, garage of carport van stroom voorzien is een klassiek doe-het-zelf-project, maar het volgt strengere regels dan binnenshuis. Buiten en ondergronds elektriciteit leggen betekent dat je geen gewone VOB-draad in een buis gebruikt, maar een degelijke grondkabel van het type XVB die geschikt is voor ingraven.
De kabel leg je voldoende diep: reken op ongeveer 60 cm diepte, in een bed van zand, en leg er een waarschuwingslint of een beschermplaat boven zodat je later met de spade niet door de kabel gaat. Loopt de kabel onder een oprit waar voertuigen overrijden, dan ga je dieper en bescherm je hem extra in een mantelbuis.
- Eigen kring — voorzie het bijgebouw vanuit een aparte kring op het hoofdverdeelbord, of plaats een klein onderverdeelbord in het tuinhuis zelf.
- Eigen differentieel — een bijgebouw krijgt het best zijn eigen 30 mA differentieel, zeker omdat je daar vaak in vochtige of buitenomstandigheden werkt.
- Aarding — zorg dat ook het bijgebouw correct geaard is en in het keuringsdossier zit.
De doorsnede van de grondkabel kies je in functie van het vermogen dat je nodig hebt én de afstand tot het hoofdbord: hoe verder, hoe dikker, om spanningsval te beperken. Bereken dit zorgvuldig met behulp van onze gids kabeldikte berekenen. Ook deze uitbreiding hoort bij je keuring, dus teken ze mee in op je ééndraads- en situatieschema.

